Examples of using "Helped " in a sentence and their dutch translations:
- Ik hielp.
- Ik heb geholpen.
- Tom hielp.
- Tom heeft geholpen.
Dat hielp.
- Ik hielp.
- Ik heb geholpen.
Hij heeft geholpen.
Ik had kunnen helpen.
- Daaraan kunnen we niets doen.
- Daar is niets aan te doen.
- Dat kan niet worden vermeden.
- Bob heeft mij geholpen.
- Bob heeft me geholpen.
- Bob hielp mij.
- Wie hielp Tom?
- Wie heeft Tom geholpen?
- Tom hielp zichzelf.
- Tom heeft zichzelf geholpen.
- Ik heb Tony geholpen.
- Ik hielp Tony.
- U hielp ons.
- Jij hielp ons.
- Jullie hielpen ons.
- U heeft ons geholpen.
- Jij hebt ons geholpen.
- Jullie hebben ons geholpen.
- Hij hielp ons.
- Hij heeft ons geholpen.
- Zij hielp ons.
- Zij heeft ons geholpen.
- Maria hielp ons.
- Maria heeft ons geholpen.
- Zij hielpen ons.
- Zij hebben ons geholpen.
Zij hielp hem.
Mary hielp Tom.
Ik heb haar geholpen.
- Tom hielp iedereen.
- Tom heeft iedereen geholpen.
- Tom hielp weer.
- Tom heeft weer geholpen.
- Ik hielp Tom.
- Ik heb Tom geholpen.
- We hielpen Tom.
- We hebben Tom geholpen.
- Ze hielpen mij.
- Ze hebben mij geholpen.
- Zij hielpen Tom.
- Zij hebben Tom geholpen.
- Tom hielp me.
- Tom heeft me geholpen.
- Tom hielp ons.
- Tom heeft ons geholpen.
De tweeling hielp.
- Tom hielp Maria.
- Tom heeft Maria geholpen.
- Wie hielp jou?
- Wie hielp u?
- Wie hielp jullie?
- Wie heeft u geholpen?
- Wie heeft jou geholpen?
- Wie heeft jullie geholpen?
- Wie hielp hem?
- Wie heeft hem geholpen?
- Wie hielp haar?
- Wie heeft haar geholpen?
- Wij hielpen hem.
- Wij hebben hem geholpen.
- Wij hielpen haar.
- Wij hebben haar geholpen.
- Zij hielpen hem.
- Zij hebben hem geholpen.
- Zij hielpen haar.
- Zij hebben haar geholpen.
- Ik hielp hem.
- Ik heb hem geholpen.
- Hij hielp Tom.
- Hij heeft Tom geholpen.
- Ken hielp Tom.
- Ken heeft Tom geholpen.
- Zij hielp Tom.
- Zij heeft Tom geholpen.
- Jij hielp mij.
- U hielp mij.
- Jullie hielpen mij.
- Jij hebt mij geholpen.
- U heeft mij geholpen.
- Jullie hebben mij geholpen.
- Hij hielp mij.
- Hij heeft mij geholpen.
- Zij hielp mij.
- Zij heeft mij geholpen.
- Maria hielp mij.
- Maria heeft mij geholpen.
Ik word geholpen.
Hebt ge mama geholpen?
- Ik hielp iedereen.
- Ik heb iedereen geholpen.