Examples of using "Ausgehen" in a sentence and their dutch translations:
Niet uitgaan.
Laten we uitgaan.
Laten we vanavond samen uitgaan.
Dit loopt niet goed af.
Het is beter als je niet weggaat.
Ik wil met haar uitgaan.
Hij wil met haar uitgaan.
Laat het vuur niet uitgaan!
- Ik wil deze namiddag niet buiten gaan.
- Ik wil vanmiddag niet weggaan.
"Ge moogt nu niet uitgaan." "Waarom niet?"
Hij wil met haar uitgaan.
Ik kon niet gaan omdat het regende.
- Je mag na het eten niet naar buiten.
- Je mag na het avondeten niet naar buiten.
Ik stel voor dat we op vrijdag vertrekken.
Wilt ge naar buiten gaan?
Als het vanavond regent, ga ik niet naar buiten.
Ik zou vandaag liever uitgaan dan thuisblijven.
Het is beter als je niet weggaat.
Ik ben niet zeker of ik zou thuisblijven of uitgaan.
Ik kan niet uitgaan omdat ik een week geleden gewond raakte in een ongeval.
Dit loopt niet goed af.
Arme Tom! Doordat hij, verblind door liefde, de naam van zijn laatste vriendin op zijn arm liet tatoeëren, wil nu geen enkel meisje meer met hem uit.